submenu

De Wemmelse jaren van Olivier Deleuze - 02/02/2021

Haarlak kopen en op de ratten schieten

Ken je Olivier Deleuze nog? De ex-voorzitter van Greenpeace genoot twintig jaar geleden landelijke bekendheid als staatssecretaris voor de partij Ecolo, waarvan hij nadien ook voorzitter werd. Ondertussen is de sympathieke snor al 12 jaar burgemeester van de Brusselse gemeente Watermaal-Bosvoorde.

Maar de perfect tweetalige Deleuze is zijn Wemmelse jeugd in de jaren 60 nog niet vergeten.

Olivier Deleuze is aangenaam verrast als we hem contacteren voor een interview over de periode die hij in Wemmel doorbracht. Hij trommelde zelfs zijn zus Marion op om een aantal oude foto’s op te diepen van toen hij tussen de 6 en 18 jaar was. Deleuze had behalve die jongere zus ook nog een broer Luc, en groeide op in een gezin van vijf. Hij werd in 1954 geboren in Sint-Joost-ten-Node, toen zijn ouders nog in Oudergem woonden. ‘Mijn vader werkte toen bij het Belgische oliebedrijf PetroFina en wij verhuisden mee met zijn job. Toen hij in Brussel werkte, woonden we eerst in Oudergem en nadien in Wemmel, maar tussenin hebben we ook nog een tijdje in Antwerpen gewoond, in Mariaburg bij Ekeren. Daar heb ik op de Nederlandstalige school Nederlands geleerd. Maar in Wemmel hebben we het langst gewoond, van 1960 tot 1974 ongeveer. Toen ging ik naar de lagere school in het Institut Saint-Lambert in Laken.’

En waaile weg

Het gezin Deleuze woonde aan de Obberg 159. Dat is dus in dezelfde straat als Anne Teresa De Keersmaeker, die in het decembernummer van de zandloper het verhaal van haar Wemmelse jeugd vertelde. Deleuze: ‘Anne Teresa was één van de dochters van onze huiseigenaar Maurits De Keersmaeker. Net zoals zij gingen wij vaak spelen op de boerderij van haar oom Frans. Die liet mijn broer en mij vaak op zijn tractor mee het veld in rijden. Ik herinner mij ook het paard op hun erf, en hun werkkracht die er inwoonde: Jef den bietenkapper noemden we hem. Verder had je in de straat een slagerij en de winkel Bij Marieke, waar mijn moeder mij altijd naartoe stuurde om haarlak te kopen. Zo kon ze haar haar ook in model houden als er wind stond.’ (lacht) Het grote huis waarin het gezin Deleuze woonde, was één van de laatste in de straat, een tweewoonst.

‘Daarachter waren alleen maar velden. Het was één grote speeltuin, want ouders moesten toen nog niet zo bezorgd zijn om de veiligheid van hun kinderen. Go mo speile, klonk het. En waaile weg! Ik heb het er naar aanleiding van dit interview nog met mijn broer en zus over gehad. Achter onze tuin was er ’t steut – het stort. Wij gingen daar met de .22 Long Rifle die we van onze nonkel hadden gekregen op de ratten schieten. Doe dat vandaag eens! En als je auto kapot was, dan deed je de nummerplaat eraf en bracht je hem gewoon naar het stort. Dat was legaal!’

Te voet over de Ring

Op een andere foto uit het familiealbum zie je de kinderen Deleuze een auto wassen samen met de kinderen uit de buurt. ‘Mijn broer en ik gingen bijna elke dag aanbellen bij onze buurjongens. ‘Mogen Piet en Ward komen spelen?’, was onze vaste zin. En om ons ’s avonds terug binnen te krijgen, floot onze moeder altijd hetzelfde melodietje. Tot dat op een zeker ogenblik niet meer werkte, omdat de merels die dat elke dag hoorden het melodietje begonnen na te bootsen.’

Het was toen namelijk nog redelijk stil daar tussen Wemmel, Relegem en de Ring. ‘De Ring stelde nog niet veel voor. Dat was een beetje zoals de Tentoonstellingslaan nu. Wij gingen die te voet of met de fiets over om in het Laarbeekbos te gaan spelen. En als er een voetbalwedstrijd was op de Heizel, konden wij het horen als er een goal werd gemaakt. Zo herinner ik mij de vriendschappelijke wedstrijd België-Brazilië: 5-1.’

Naar school in Laken ging de kleine Olivier met tram W. ‘Een kaartje kostte 9 frank. Nadien gingen we met de fiets naar het Sint-Pieterscollege. We hadden kleine compteurs op ons stuur gemonteerd. Mijn broer en ik wilden zo veel mogelijk boven de 30 kilometer per uur rijden.’ Ook voor de scouts trok Deleuze naar Laken. ‘Maar dat was vooral om onder de voeten van onze ouders te zijn op zondag.’ Van Wemmel herinnert hij zich verder nog Johan Verminnen, het Hooghuis, het gemeentehuis en restaurant de Kam aan de terminus van de tram. ‘Ik herinner me ook nog een bakker op een hoek van de De Limburg Stirumlaan. Die verkocht marsepein tegen 18 frank per 100 gram. Ik kreeg van mijn ouders 20 frank per maand en die was op de eerste dag al op aan marsepein. Daarna was het weer gedaan voor een maand.’ (lacht)

De taalstrijd was aan de jonge Olivier niet besteed. ‘Onze vrienden spraken Nederlands, dus spraken wij ook beter Nederlands dan Frans, ook al waren mijn ouders echte Franstaligen uit Doornik en Brussel.’ Verder denkt Deleuze niet dat de landelijke omgeving van toen van hem een ecologist heeft gemaakt. ‘Daar was ik toen nog niet mee bezig. Als je als stoute ketten op de ratten gaat schieten, leef je ook niet echt in harmonie met de natuur hè.’ (lacht)

Na Wemmel zijn de ouders van Olivier in Court-Saint-Etienne (Wallonië) gaan wonen, maar toen studeerde hij al in Leuven voor landbouwingenieur. ‘Ik moet toegeven dat ik sindsdien bijna nooit meer in Wemmel ben geweest. Als ik nu foto’s zie, herken ik veel plekken niet meer of herinner ik me niet wat nu ook alweer waar was.’ Ondertussen is Deleuze sinds 2012 burgemeester van het relatief groene Watermaal-Bosvoorde, en dat vindt hij een heel plezante job. ‘Poëtisch zelfs. Wat de mensen je allemaal komen vertellen over hun problemen en hun dagelijkse leven is heel boeiend.’ Dat herinnert dus toch nog een beetje aan het dorpsleven van vroeger.

 

Tekst: Michaël Bellon
Foto: Tine De Wilde
Uit: zandloper februari 2021